Down and out in Rotterdam

Ideas, meaning and a mind in motion

Category: Dutch/Nederlands

  • Buikgriep

    Na een lichte buikgriep, of was het een verdomde voedselinfectie? Ik had zaterdag buiten de deur gegeten, ben ik weer op de been. Dinsdagen werk ik halve dagen en ga ik vaak naar de stad. Ik heb al twee dagen nauwelijks iets voedzaams gegeten dus ik nam de metro. Waarom is roken op de terrassen nog steeds niet verboden? Ik zit bij de Coffee Company en ik zit aan de lattè met havermelk. Ik snap dat de hipsters die er werken ook roken, want dat blijft hip, gek genoeg, want zuivel is wel echt not done, dat kan je dus niet meer maken anno 2022, maar iemand kanker geven op een terras met je stinksigaret dat is nog niet uit de mode. Ik voel me dus iets beter. Fysiek zwak zijn maakt dat je ook geen energie hebt om te piekeren.

    Dan besef je ineens weer hoe kwetsbaar je als mens bent als je een virus te pakken hebt en je lijf er van van slag is. Als je voeding nodig hebt voor energie, maar niks binnen kunt houden. Dan sterf je dus gewoon in het wild. Gelukkig leef ik niet in het wild en kon ik soep van mijn moeder krijgen en wat bouillon.

    Ik ben bezig met lezen in ‘Island’ van Aldous Huxley, zijn laatste werk (1962). Na het herlezen van zijn ‘Brave New World’ en mijn algehele dystopische stemming dacht ik laat ik nog wat doorpakken uit zijn Ouvre. Had ik dat maar niet gedaan. Hij schrijft gelukkig geen dikke boeken en dat spreekt voor een schrijver – als het goed is kan het ook in weinig woorden – maar hij is gewoon geen goede roman schrijver. Huxley is van de ideeën en essays, in ‘Brave New World’ kwam dat goed samen (ook dat leest niet echt lekker), maar Island is dodelijk saai.

  • Verloren dagen

    12246953_10153772326411098_257063492264649985_n

    Vreselijk toch die verloren dagen. De lange dagen van bedlegerigheid, van geforceerd slapen en weinig eten. Buiten niets dan grauwe wolken, wind en regen. Binnen slechts een deken. De kou en kilte baant zich een weg naar binnen, maar voor muziek is geen plaats. En er valt niets te forceren. Het is slechts wachten tot de wolken breken en de storm weer overwaait.

    Dagen vliegen voorbij als in een winterslaap en buiten gaat het gewone leven door. Mensen staan op, ontbijten, werken, ontmoeten, bedrijven de liefde en gaan naar bed.

    En je probeert het te begrijpen, te beschouwen en je voelt een verlangen, maar het heeft geen zin. Accepteer je verlies en vecht niet langer. Geef je over, er treft je geen blaam. Morgen misschien, morgen wordt je wakker en vindt je weer de kracht. Zo niet dan overmorgen, volgende week of volgend jaar.

    Als de storm weer is bedaard, als de wolken breken en de zon je weer raakt, als de muziek je weer doet leven en je weer synchroon loopt met het leven, dan is je tijd.

    Gelukkig is het leven meer dan een optelsom van bewust en onbewust, van wakker en van slaap.

  • Een grijze donderdag in September

    walking-in-rain-painting-wallpaper-hd

    Een regenachtige grijze donderdag in September. Ik zit weer eens in de Urban Espresso Bar. Ik had de intentie om vacatures te zoeken en misschien zelfs een brief te schrijven.

    Ik ben van een realiteit van weten dat ik geen kans maak op de arbeidsmarkt en dus maar bij een uitzendbureau binnen te stappen, overgegaan tot het daadwerkelijk brieven schrijven en bevestigd krijgen dat niemand op me zit te wachten. Nu mijn WW opraakt ben ik binnenkort weer gedoemd te werken voor een uitzendbureau voor een werkgever die voor mij nog een dozijn mensen kan vinden en dat ook uit alles laat blijken. Zoiets houd iemand niet lang vol. Ik heb het al té lang geprobeerd, vandaar nu dat ik tóch ben overgegaan tot het brievenschrijven.

    En intussen spreek je wel eens iemand. Je ontmoet mensen die niet hoger opgeleid zijn, maar een net iets praktischere studiekeuze hadden. En dan hoor je hoe ze vooral geluk hadden met hun baan. Ze waren er toevallig ‘ingerold’. Of via contacten. Altijd weer die contacten. Maar er zijn ook de gelukkigen die geen WO studie hebben gedaan en via een of andere HBO of ja zelfs een baan via het uitzendbureau zijn doorgegroeid en nu een goedbetaalde baan hebben. Vooral dat soort gesprekken drijven me tot wanhoop. Dan merk je hoeveel baat het heeft als je niet kritisch bent en altijd netjes binnen de lijntjes kleurt. Dan blijkt hoe zeer creativiteit en gevoeligheid je juist in de weg zit bij het vinden van een baan. ‘Archeologie gestudeerd?’, ‘Ja dan zit je in een lastig segment’. Segment?! Pardon? Als iemand mijn boekenkast ziet dan blijkt daaruit vooral dat ik niet binnen één segment pas. Het enige ‘segment’ dat nooit in mijn boekenkast zal staan is het segment ‘management’, ‘communicatie’ en ‘marketing’, voor de rest is werkelijk alles mogelijk.

    Ik kon het niet opbrengen vandaag. Als je compleet murw geslagen ben en vrij realistisch beseft dat je niks in de melk te brokkelen hebt, dan is opstaan al een prestatie. De motregen maakte het vandaag af.

  • Weer die leegte

    HopperHotelRoom

    Tijdens mijn ronde door de Donner word ik opnieuw overvallen door dat onbestemde gevoel dat nog het meest op misselijkheid lijkt. Dit keer probeer ik het gevoel voor mezelf te omschrijven en duiden. Wat is toch de aanleiding en waarom overvalt het me juist nu? Zijn het dan toch de boeken? En dan komt het besef. Ik was op weg naar huis. Niet mijn huis, maar hun huis. Daar zou ik ze treffen als ze thuiskwamen van werk. Zo ging het al weken. Niet mijn huis omdat ik gevlucht was van de ijzige stilte en de lege koelkast. Bij hen zou ik het rtl4 journaal kijken, wat eten en terwijl ik het internet afstruin nog wat zijdelings meekrijgen van Albert Verlinde dat mijn moeder graag keek.

    Daarna zou ik weer vluchten, nu naar mijn kleine kamer boven, net groot genoeg voor een smal bed, een commode en twee billy boekenkasten. Ik zou me uitkleden en in bed liggen met een boek. Ik zou eerst in stilte naar het plafond staren en uiteindelijk wat lezen.

    Met dit vooruitzicht was ik op weg en om het uit te stellen was ik langs de boekenwinkel gelopen. Vanwege het regenachtige weer was ik al dagen somber en ik had al een week geen boek gekocht. Nu kon echter ook een boek geen compensatie bieden en met dat besef begon de misselijkheid. Het totale gevoel van troosteloze zinloosheid dat geen boek kan vullen, geen persoon kan wegnemen en waartegen je nergens kon schuilen. Weg wilde ik uit de winkel, maar ik wilde ook niet naar huis. Het liefst was ik op dat moment opgelost en verdwenen.

    Maar ik ging naar huis. En straks komen mijn ouders weer thuis.

    En als ik naar boven ga, na wat staren naar het plafond, zal ik weer doorgaan met lezen.

  • Vijf jaar geleden op een zondagmorgen

    Gustav_Klimt_Wittgenstein

    Het is een druilerige zondagochtend, ik zit op mijn werk in een ruimte met schaars geel TL verlicht. Buiten grijze wolken en een regenbui, harde natte strepen vallen diagonaal op de opengebroken straat, de bus rijdt hier niet meer. Het is een zondag in augustus, maar alles doet denken aan oktober. Op weg naar werk was het nog droog, de meeuwen en vogels vroeg actief, de laatste mensen uit het nachtleven op weg naar hun bed. Een enkele duif deed zich te goed aan kruimels in restjes opgedroogde kots, een veel te knap meisje voor een veel te oude langharige man wisselden nummers uit. En dan die lucht; de wolken in pastelkleuren, lichtoranje grenzend aan roze en grijs met op de voorgrond een molen, molen de valk. Het had iets sereens. Aangekomen op Leiden centraal een regenboog, de boog volledig in zicht, scherp afgetekend aan de hemel, waar bevond zich de pot met goud?

    Op werk kijk ik door de natte ramen naar buiten, de lucht klaart op, alleen de druppels op de ramen verrieden nog de regenbui. Het is rustig op werk. Af en toe neem ik een telefoon op, ik verbind door, kijk weer door het raam en in de verte zie ik huis ter duin. Ik heb nog niet ontbeten en mijn maag protesteert.

    ‘Dertig jaar…’ denk ik ‘en waar ben ik toch mee bezig?’

    Dan dwalen mijn gedachten af, dit keer naar het boek van W.F. Hermans over Wittgenstein dat ik in de bus op weg naar werk zat te lezen. Meer nog dan zijn filosofie vind ik zijn achtergrond interessant. Zoon van een rijke joodse industrieel en opgegroeid in een geweldig milieu in Wenen. De filosoof Wittgenstein was het jongste kroost, maar alle Wittgensteins hadden talent. Allen waren uitzonderlijk muziekaal, ook Wittgenstein de filosoof, maar zijn oudere broer Paul werd wereldberoemd pianist en zijn broer Hans die op zijn 26e zelfmoord pleegde idem; ‘…[slechts] vier jaar oud, kon hij horen dat het signaal van de brandweer een kwart was’ zo schreef Hermans. Hans pleegde overigens zelfmoord omdat hij door zijn vader Carl gedwongen werd zijn vader op te volgen in de industrie, waar hij liever violist was geworden. Zijn zussen kregen muziekles van Brahms en grootheden als Mahler en Strauss kwamen regelmatig bij de familie over de vloer. Eén zus is vele malen door Gustav Klimt geschilderd en werd zo onsterfelijk.

    De telefoon gaat en ik keer terug naar het heden.

    ‘Goedemorgen u spreekt met de telefonist, waarmee kan ik u van dienst zijn?’, ‘Sorry u bent verkeerd verbonden, dit is het alarmnummer, ik verbind u door, dag mevrouw’.

    Mensen bellen continu voor de grootste onzin een alarmnummer alsof het de normaalste zaak van de wereld is, het houd me wel bezig op de zondagochtend. Veel mensen zijn zo ontzettend hulpeloos of dom, of lui? Ik weet het niet.

    Via de interne mail op werk krijg ik een krantenartikel onder ogen over een collega die ik niet ken, ze heeft de krant behaald; ‘… op naar de honderdvijftig’. Deze onbekende collega is al in ruim honderd verschillende landen geweest, ‘The Isle of man’ was haar honderdste bestemming, ‘ik leef om te reizen, op naar de honderdvijftig!’ stelt ze in het artikel.

    Ik kijk weer uit het raam en vraag me af in hoeveel landen ik zelf ben geweest. Het boeit me eigenlijk niet. Waar ik ook naartoe ga, ik ben toch nooit helemaal weg. Ik zou nog graag naar Irak, Syrië en Iran reizen, maar de politiek belemmert me in dit streven. Misschien wil ik nog naar noord-Afrika, zuid-Afrika, Scandinavië? Ik ben een Europeaan, ik wil nog naar Wenen.

    Wenen, mijn ‘connectie’ met Wittgenstein, met Klimt, met Oostenrijk. In Wenen werd mijn oma geboren, de familie ‘Deutsch’, Duitser kan haast niet, hoe ironisch. Erica Deutsch en haar broer Kurt Deutsch, haar idealen leidden haar naar Palestina tijdens het interbellum. Haar vader, mijn overgrootvader Felix Deutsch moet vannuit Wenen WOI hebben meegemaakt en was hierdoor getuige van het einde van het Habsburgse Rijk. Via het internet heb ik zijn graf gevonden. Hij ligt begraven in de oude begraafplaats van Wenen het Wienerfriedhof.

    Mijn oma heb ik helaas nooit kunnen spreken, ze stierf jong voor mijn geboorte. Wat had ik graag met haar gesproken over onze geschiedenis. Haar broer Kurt scheen te zijn gevlucht naar Italië voor de 2e wereldoorlog. Kurt, naamgenoot van Kurt Wittgenstein die naar het schijnt in 1918 ook al zelfmoord pleegde toen de troepen waaraan hij leiding gaf deserteerden. Het Oostenrijkse front met Italië, hetzelfde front waar ook een jonge Hemingway was gelegerd was en waar hij later zijn roman ‘A farewell to Arms’ aan wijdde. Op deze herfstachtige zondag in Augustus, krijg ik heimwee naar een periode en een tijd waarvan ik alleen kan weten uit boeken. Mogelijk is mijn beeld overgeromantiseerd, er is toch immers niks romantisch aan sterven in de loopgraven of doodgaan aan de spaanse griep? En als mijn overgrootvader in de straten van Wenen een Wittgenstein langs had zien komen in een rijkuitgevoerde koets met edele paarden, had deze Wittgenstein hem dan een blik waardig gegund?

    En toch kan ik me niet aan de gedachtte onttrekken, dat het leven toen zinrijker was dan nu. Ook jong sterven behoorde hierbij tot de mogelijkheden. Eén granaatscherf meer en ook Hemingway had nooit zijn boeken geschreven, ook Wittgenstein de filosoof had kunnen sterven aan het front, zijn naam gebeiteld in koud steen, naast vele anonieme namen van gesneuvelden en bekend vanwege de dood in een grote slag, in plaats van zijn filosofische werk. Ach, zo is alles betrekkelijk, op een herfstachtige zondagmorgen in Noordwijk.

  • De overbodige man

    blair_1-081910

    ‘The superfluous man (Russian: лишний человек, lishniy chelovek) is an 1840s and 1850s Russian literary concept derived from the Byronic hero. It refers to an individual, perhaps talented and capable, who does not fit into social norms. In most cases, this person is born into wealth and privilege. Typical characteristics are disregard for social values, cynicism, and existential boredom’.

    Hoewel, ik heb natuurlijk geen rijkdom nog privilege. Toepasselijk vond ik wel de volgende verklaring van criticus Belinsky over de oorsprong van de term;

    Russian critics such as Vissarion Belinsky viewed the superfluous man as a by-product of Nicholas I’s reactionary reign, when the best educated men would not enter the discredited government service and, lacking other options for self-realization, doomed themselves to live out their life in passivity.

    Mooiste voorbeelden daarvan in mijn optiek Oblomov (roman door Ivan Goncharov) die in de eerste honderd pagina’s van zijn roman twijfelt of hij uberhaubt uit bed wil komen en Prins Andrei Nikolayevich Bolkonsky uit Oorlog en Vrede. Prachtig beschreef Tolstoy hoe deze ambitieuze talentvolle man snel gedesillusioneerd raakt en politiek en oorlog de rug toekeerd om in rust op het platteland te leven. Had ik maar de middelen, dan keerde ik de maatschappij ook direct de rug toe. Ik kijk al geen tv meer. Ik wil eigenlijk zonder Facebook. Als het kon vertrok ik met de noorderzon en leefde ik met een gelijkgestemde partner samen in een staat als Montana, zonder directe buren en zonder gezeik over bootvluchtelingen, zonder de regeldrift van de Nederlandse en EU overheid, zonder hipsters in het straatbeeld, zonder de alomtegenwoordige geestelijke armoede waar je mee besmet raakt en je handen in vuil moet maken om te functioneren in het dagelijkse menselijke verkeer van een grote stad. Een overbodig man. Ik herken me er wel in. Nog cynischer, kritischer en misschien eerlijker wel ben ik een typisch voorbeeld van iemand die spreekwoordelijk wel de klepel kan horen luiden maar hem niet ziet hangen. Uit een arbeidersmilieu met alle gemak en zonder noemenswaardige problemen scholing doorlopen, afgestudeerd aan een universiteit dat de naam universiteit niet mag dragen (in klassieke zin), heb ik mogen ruiken aan een intellectueel leven, aan privilege en kon ik me even als uitverkoren wanen, denken dat ik iets noemenswaardig had gepresteerd om vervolgens rap van mijn imaginaire troon te vallen en losgelaten te worden in een maatschappij die zo egalitair is ingericht dat er geen behoefte, nog ruimte is voor vreemde eenden met een hunkering naar meer met een eigenaardige voorkeur voor zaken die geld kosten en niks opleveren en zonder gram praktisch benul. Mijn laatste illusie dat mijn denken nog van toegevoegde waarde is zal sterven zodra ik de virtuele facebook dood sterf, geld leverde het me toch al nimmer op. Nee, was ik bemiddeld of presenteerde zich vandaag een excuus om voor goed te verdwijnen naar een stille uithoek van de wereld om daar mijn leven eerbiedig uit te zitten, dan was ik weg, gisteren nog. Of is ook dit slechts grootspraak? Kijk ik krabbel alweer terug.

  • Rokjesdag

    11127497_10153278681961098_6426268075010401696_n

    Het was vrijdag en de eerste warme dag van het jaar, rokjesdag. Werkloos en vrij liep ik in de vroege ochtend over de Erasmugbrug. De zon scheen fel en warm in mijn rug en weerkaatste in het wit van de brug, de lucht heiig en vrij van wolken. In het oosten aan de horizon de Willemsbrug, het noordereiland en de hef, in het westen ver aan de horizon de haven en haar vele kranen en fabrieken en het af en aan varen van grote schepen met vracht.

    Wat een mooie stad toch mijn Rotterdam. Wat een voorrecht om in het hier en nu over deze brug te mogen lopen en om de Maas in al haar glorie en glinstering te zien stromen op deze prachtige lentedag.

    Mijn geluk kon niet op want ik werd deze ochtend wakker naast haar en eerder die nacht momenten voor ik zelf insliep lag ze in een kokkonetje tegen me aan en was ik me bewust van mijn geluk. Nu, op weg van haar studentenkamer over de brug naar hartje Rotterdam op deze rokjesdag wilde dit gevoel van gelukzaligheid niet weggaan.

    Ik was toe aan dit gevoel, toe aan de lente, toe aan wat vrouwelijke genegenheid.

    Een tijd terug had ik met veel bewondering Narcissus en Goldmund gelezen en een prangende vraag hield me sindsdien al weken bezig, was ik als Narcissus of Goldmund? Terwijl ik zo over de brug liep denkend aan haar en aan het vooruitzicht van een volle dag schrijven en lezen in de zon wist ik het antwoord.

    Ik was Goldmund. Sterker nog, net als de Goldmund in het verhaal was ik er heel vroeg in mijn jonge jaren van overtuigd dat ik geboren was voor het vergaren van kennis en het zoeken naar antwoord op vragen. Toen had ik eigenlijk ook een Narcissus nodig die me had moeten wijzen op mijn ware aard en roeping. Lang heb ik tevergeefs naar een Narcissus gezocht, maar ik wist eigenlijk al langer dat ik een aantal verkeerde paden had bewandeld. Als ik het eerder had geweten had het me een hoop frustratie en energie gescheeld in een zoektocht naar antwoorden die ik toch niet zou vinden, tijd die ik beter had kunnen besteden in het ontwikkelen en verfijnen van de expressievormen die ik nu nodig had.

    Ik de eeuwige twijfelaar. Echte intelligentie was zo wist ik al langer niet leidend. Ik was een Goldmund omdat ik moest ervaren, moest proeven, vrij moest zijn. De universiteit was een teleurstelling die me nog steeds verdrietig stemde. Het was niet de baken van kennis die ik me er in mijn voorstelling als kind van maakte, er liepen weinig heldere lichten en leraren om een voorbeeld aan te nemen. Hiervoor moest je denk ik toch in het klooster, de kerk of Jeshiva zijn. Ik was een ongeleid projectiel op zoek naar richting en nu halverwege mijn baan moest ik zelf richting vinden en ik was al vaart aan het minderen.

    Zowel kennis als kunst leiden naar de waarheid, maar de waarheid is weinig permanent en tastbaar, vaker ongrijpbaar zo niet onzichtbaar. Voor een glimp van de waarheid hoef je niet geleerd te zijn. De waarheid is alomvattend, voor een ieder voelbaar en aanschouwbaar, mits iemand er voor open staat. Wij zijn onderdeel van haar, het zit in ons DNA.

    Het lag er al die jaren zo dik op. Hoe vaak leek de maatschappij niet slechts als een necessary evil, hoe vaak leken conventies niet meer dan een beperking, een teugel, een riem? Nooit was ik gemaakt voor een carriere, ik was te onrustig, te eigenwijs, te bijdehand. De maatschappij probeert me wijs te maken dat ik ongelukkig moet zijn of op zijn minst ernstig bezorgd want ik heb zoveel potentie (als in intelligentie) en ik maak er zo weinig gebruik van (als in een mooie functie) en deels maak ik dat ook mezelf wijs want ik ben niet graag onverantwoordelijk en neem niet graag risico’s, en toch. Is er geen groter risico in het niet doen, in het hardnekkig verplichtingen aangaan die ik voor mijn gevoel toch niet kan waarmaken?

    En er is natuurlijk die verdomde keerzijde. De dalen zijn diep en soms lijk ik er moeilijk tegen bestand en wil ik alles opgeven. Dan helpt alleen de zon en een vrouwenlichaam, zo ook bij Goldmund.

    Afgelopen nacht had ik die geborgenheid en vandaag scheen de zon en meer kon ik me op dat moment niet wensen. Het was rokjesdag. Ik heb eindelijk weer kunnen schrijven en ik had weer twee boeken gekocht. Ik was gelukkig en het stond op papier om te herlezen op donkere dagen, want geluk en ongeluk zijn nooit permanent en als de seizoenen, een cyclus waar we als gewone stervelingen geen vat op hebben.

  • Wat zie ik niet, of wat mis ik.

    dude

    Vaak wordt ik beschouwd als pessimist en ik bezig inderdaad vaak cynisme, ironie en sarcasme. Nou vind ik dat allereerst een prachtige stijlvorm die ik ook kan waarderen in het denken en schrijven van anderen en als je het goed toepast kan je met één zin of twee woorden vijf punten maken. Als stijlvorm kan je het waarderen of niet waarderen en over smaak valt te twisten. Misschien knappen sommigen er daarom op af. Maar negativisme? Nee. Ook cynisme, sarcasme en ironie zijn vaak om te lachen. Of zoals je ook heel cynisch kunt stellen; je kunt om sommige zaken beter lachen dan huilen. Als iets om te janken slecht is, dan verpak je het gewoon in ironie. Even pijnlijk, zo niet pijnlijker, maar je hebt wel een lach op je gezicht.